Koloniën van Weldadigheid

Oud-officier Johannes van den Bosch nam in 1818 het initiatief om via een publiek-private samenwerking de Maatschappij van Weldadigheid op te richten. De Maatschappij van Weldadigheid bestond uit een groep mensen, afkomstig uit de betere kringen, die samen de armoede wilden bestrijden. Samen hadden zij een groot internationaal netwerk dat meedacht in de plannen rondom de Koloniën van Weldadigheid. De Maatschappij kwam al snel met een plan dat de problematiek van wezen, gehandicapten, bedelaars, prostituees, zwervers en andere hulpbehoevenden die in armoede leven aan moest pakken: landbouw werd ingezet om armoede te bestrijden.

 

Vanaf 1818 werden vele armen uit de steden door de Maatschappij van Weldadigheid ondergebracht in zogenaamde koloniën. De eerste kolonie die werd gebouwd, was Frederiksoord. De kolonie in Frederiksoord telde 52 boerenhoeves met een stuk grond van 2,5 hectare. Deze grond moest toen nog ontgonnen worden. Het idee was dat de armen hier leerden om in een normaal, gedisciplineerd en eerlijk arbeidsproces een leven als vrijboer op te bouwen. Door eerst met elkaar een stuk woest en onvruchtbaar land te ontginnen en daar vervolgens als boer op te werken. De bedoeling was dat het leven in een kolonie uiteindelijk volledig zelfvoorzienend werd. De Maatschappij wilde zo zorgen voor een nieuwe, veilige leefomgeving voor de allerarmsten. Na Frederiksoord zijn tot 1824 nog vier andere koloniegebieden gesticht in Nederland en België. Samen vormen ze de Koloniën van Weldadigheid.

 

In de vrije koloniën werden mensen voorzien van werk, levensonderhoud en onderwijs. Zo werden mensen opgeleid tot landarbeiders die met hun gezinnen volwaardig deel konden nemen aan de samenleving. Naast de vrije koloniën werden ook koloniën opgericht voor bedelaars en landlopers die niet uit vrije wil naar het platteland verhuisden. Deze ‘onvrije' koloniën werden ook wel strafkoloniën genoemd. In de loop van de twintigste eeuw veranderden deze koloniën in officiële gevangenissen.